Skip to main content

Nee, een pretje was het zeker niet. Om aan boord te zijn van een zeilvrachtschip van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Ga maar na; de driemasters van ’s werelds eerste internationale handelsonderneming hadden een lengte van een amper dertig meter, maar werden wel volgestouwd met ruim vierhonderd opvarenden! En dat dan niet voor een weekendje zeilen op de voormalige Zuiderzee, maar voor een negen maanden durende handelsreis naar de Oost.

Dat kon natuurlijk niet goed gaan. Wél voor de handel; de winsten van de VOC waren fenomenaal, maar níet voor het welzijn van de schepelingen. Die arme zielen kwamen in een tsunami van kommer en kwel terecht. Tenminste dat gold voor het leeuwendeel van de mensen dat aan boord was. Niet voor de hoge officieren; zij vonden in het achterdek hun eigen koninkrijkje. Een deel van het schip met veel privileges: eigen slaaphutten, goede ventilatie en fantastisch eten.

Het contrast met het lager scheepsvolk kon niet groter. Zij sliepen in de muffe, verstikkende ruimtes van de buik van het schip. Daar lagen ze zij aan zij opeengepakt in slaapzaken of schommelden in hun hangmatten mee met de bij tijd en wijle brute zeedeining. De stank die in de ruimen hing, was amper te harden. Het was een geurenmix van alcohol, rottend etenswaar, bedorven water, kots, pis en stront.

Geen fijne plek om te vertoeven dus! Al helemaal niet om eten. En wát voor een eten. Lieten de achterdek-uitverkorenen hun honger stillen met smakelijke spijzen en dorst laven met kostelijke wijnen, bij de rest van bemanning was de dagelijkse kost verre van haute cuisine. Bij hen stond vrijwel iedere dag brood, spek en gort op het menu. Om dat eenzijdige voedsel weg te spoelen, dronken de manschappen bier en water. Laatstgenoemde bedierf razendsnel en begon dan vreselijk te stinken. Het water kon uiteindelijk alleen met dichtgeknepen neus en met de tanden op elkaar, gedronken worden. Dit laatste om de beestjes eruit te filteren. Soms liet men een roodgloeiende staaf in het bedorven water uitdoven om het enigszins drinkbaar te maken.

De VOC zette gedurende haar bestaan meer dan tweeduizend driemasters in om de rijkdommen uit de Aziatische regio naar Nederland over te hevelen. De ruimen werden tot de nok toe gevuld met specerijen als zout, peper, nootmuskaat, kruidnagel en kaneel. Van de tweeduizend VOC-schepen is er niet één bewaard gebleven. Wel zijn er in de loop van de tijd veel wrakken letterlijk boven water gekomen. Een paar honderd Oost-Indiëvaarders vergingen namelijk met man en muis en kwamen op de bodem van oceanen en wereldzeeën terecht. Sommige geborgen wrakken zijn opgekalefaterd en tentoongesteld in musea over de hele wereld.

Gelukkig zijn er wel replica’s gemaakt van twee beroemde VOC-schepen: de 17de eeuwse Batavia (1628) en 18de eeuwse Amsterdam (1748). Deze zijn te aanschouwen op de Bataviawerf te Lelystad respectievelijk in Het Scheepvaartmuseum te Amsterdam. Er bestaat de mogelijkheid om aan boord te gaan van deze iconische schepen en te ervaren hoe het leven daar was. Helaas zullen de Batavia- en Amsterdamreplica nimmer het ruime sop kiezen; het is dus niet mogelijk om met deze nostalgische driemasters te zeilen.

En dát is nu net zo leuk: varen én overnachten op een klassiek driemaster schip

Gelukkig is dat tóch mogelijk!

Zo kun je aan boord stappen van de Marjorie. Deze immense driemaster ligt in de haven van Antwerpen en is zeewaardig. Na een dagje op het water, dompel je vervolgens heerlijk in slaap in je eigen, luxe kajuit.

Laat een reactie achter

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.